Het diafragma belicht: wat is het en wat kun je ermee?

Het diafragma is een van de belangrijkste middelen om van je foto's iets bijzonders te maken. Leer wat het is, hoe het werkt en wat de effecten kunnen zijn als je hier zelf mee experimenteert. Kort gezegd regelt je diafragma de hoeveelheid licht die op je sensor valt en de scherptediepte in je foto.

Dat heeft natuurlijk een groot effect op het beeld dat je creëert. Niet voor niets definieert het Van Dale woordenboek fotografie als: 'de kunst om met licht afbeeldingen vast te leggen op dunne, voor licht gevoelige lagen'. Dit spreekt misschien voor zich, maar veel beginnende fotografen beseffen zich nog niet hoe zij kunnen spelen met het licht en wat de gevolgen daarvan kunnen zijn. Dit artikel helpt je hiermee op weg. We bespreken hierbij ook bekende begrippen zoals scherptediepte, brandpuntafstand, lichtgevoeligheid en sluitertijd. Deze hangen namelijk allemaal met het diafragma samen. Ontdek hoe je ermee kunt werken en welke creatieve mogelijkheden ze bieden.

Het diafragma, een eerste kennismaking

Het diafragma bevindt zich tussen de lens en de sluiter van je camera. Het is doorgaans onderdeel van het objectief (je lens) dat je op de body van je toestel plaatst. Je diafragma is opgebouwd uit zogenaamde lamellen; kleine metalen plaatjes die over elkaar heen kunnen schuiven. In het midden blijft een cirkelvormige ruimte open, waar het licht doorheen valt. Hoe groter de opening, hoe meer licht er op de film of je sensor valt, en andersom. Dit geeft je vrijheid om in te spelen op wisselende omstandigheden, maar ook om bijzondere effecten te creëren.

Met je diafragma kun je namelijk niet alleen onder- of overbelichting van je foto voorkomen, maar ook de zogenaamde scherptediepte beïnvloeden. Later leggen we uit hoe je hiermee je onderwerp nog beter tot zijn recht kunt laten komen. Maar voor een mooi resultaat is het belangrijk om te weten hoe het diafragma precies werkt.

Hoe werkt een diafragma?

Het diafragma van je camera is te vergelijken met de pupil van je oog. Afhankelijk van het licht verandert deze van grootte. Sta je buiten in de zon, dan verkleint je pupil om te voorkomen dat je wordt verblind door het felle licht. In het donker wordt je pupil juist groter, om zo toch het kleine beetje licht te kunnen vangen en je zicht te optimaliseren. De werking van je diafragma is vergelijkbaar.

Voor een mooi beeld bij fel licht is het belangrijk dat de opening hiervan kleiner is. Is de omgeving juist donker, dan moet deze groter zijn. Staat je camera op de automatische stand, dan hoef je hierover zelf geen beslissingen te nemen. Dan is de kans dat je een standaard foto maakt echter ook vrij groot. Maar je kunt de grootte van je diafragma ook zelf instellen. Dit gebeurt aan de hand zogenaamde F-getallen ook wel diafragmagetallen of de diafragmawaarden genoemd. Omdat deze een beetje verwarrend kunnen zijn, leggen we hieronder uit wat ze betekenen en hoe je ermee kunt werken.

Diafragma uitleg oog en lens

F-getallen, Diafragma-getallen en Diafragma-waarden

Je diafragma opent en sluit zich niet in één vloeiende beweging, maar in kleine stapjes. Deze worden ook wel 'F-stops' genoemd. De stops worden vaak geïllustreerd aan de hand van een zogenaamde F-schaal. Deze kan per lens (objectief) enigszins verschillen, maar verloopt over het algemeen zo: f/2 | f/2.8 | f/4 | f/5.6 | f/8 | f/11 | f/16 | f/22 | f/32 Ieder F-getal staat voor een zo'n stapje.

Spring je van een stop naar de eerstvolgende, dus bijvoorbeeld van 2 naar 2.8, dan halveert de hoeveelheid licht die binnenvalt. Het laagste getal dat staat aangegeven, in dit geval 2, betekent dat de lamellen helemaal geopend zijn en er dus veel licht binnen kan komen. Dat is soms verwarrend: een laag F-getal betekent dus een grote opening (een groot diafragma).

Een hoog F-getal noemt men een klein diafragma en houdt in dat er een beperkte hoeveelheid licht binnenvalt. Er zijn tegenwoordig ook camera's waarbij de stappen tussen de stops kleiner zijn. Soms zijn dit halve stops, of 1/3e stops.

In dat geval kunnen de diafragmagetallen er als volgt uitzien: f/1.2 | f/1.4 | f/1.6 | f/1.8 | f/2 | f/2.2 | f/2.5 | f/2.8 | f/3.3 | f/3.5 | f/4 | f/4.5 | f/5 | f/5.6 | f/6.3 | f/7.1 | f/8 | f/9 | f/10 | f/11 | f/13 | f/14 | f/16 | f/18 | f/20 | f/22 Zo'n F-getal is niet willekeurig, maar is de brandpuntafstand, gedeeld door de diameter van diafragma-opening.

Dit is niet de enige factor waarmee je de belichting van je foto beïnvloedt. De sluitertijd en de ISO-waarde, die lichtgevoeligheid uitdrukt, zijn hier onlosmakelijk mee verbonden. Samen vormen deze de waarden de zogenaamde 'belichtingsdriehoek'. De onderlinge verhoudingen bepalen het eindresultaat. Hieronder bespreken we hoe deze factoren zich tot elkaar verhouden en hoe je ermee kunt omspringen om de mooiste foto's te maken.

De belichtingsdriehoek

Zoals gezegd bepaal je met je diafragma-opening hoeveel licht er op de sensor (of film) van je camera valt. Maar wil je een goed belichte foto, dan zijn er nog meer zaken om rekening mee te houden, namelijk de sluitertijd en de lichtgevoeligheid. Deze hangen met elkaar samen en vormen gezamenlijk de zogenaamde belichtingsdriehoek.

Met de sluitertijd bepaal je hoe lang het licht op de sensor (of film) valt. Een lange sluitertijd zorgt ervoor dat het licht meer tijd heeft om de sensor te bereiken. Daarom wordt hier in de fotografie vaak voor gekozen bij donkere omstandigheden. Een nadeel is dat de camera gedurende deze tijd wel stabiel moet blijven. Anders krijg je een bewogen foto. Vaak is een statief gebruiken in zo'n geval wel aan te raden. Het is belangrijk om te onthouden dat als je een van de bovengenoemde waarden verandert, je vaak een van de andere twee ook moet bijstellen.

Stel je de belichtingsdriehoek voor als een gelijkzijdige driehoek, die ook deze vorm moet behouden om een goed belichte foto op te leveren. Verkort je bijvoorbeeld de sluitertijd, omdat je geen statief hebt en een bewogen foto wilt voorkomen, dan heeft het licht dus minder tijd om binnen te vallen. Dit kun je compenseren door te zorgen dat er meer licht kan binnenvallen, door de opening van je diafragma te vergroten. Je kiest dan dus voor een lager F-getal.

De ISO-waarde of lichtgevoeligheid kun je ook zelf instellen. Deze geeft aan hoeveel licht de sensor nodig heeft om een goed beeld op te leveren. Een hoge lichtgevoeligheid helpt je ook bij weinig licht foto's maken, zonder dat je per se de sluitertijd hoeft te verlengen. Deze optie heeft echter als nadeel dat er ruis kan ontstaan, in de vorm van een korrelig of wazig beeld. Dit effect heb je vast wel eens gezien als je binnen of bij schemering een foto hebt gemaakt. Het is dus zaak deze belichtingsdriehoek goed in je achterhoofd te houden. Zo is het makkelijker om de juiste balans te behouden tussen de drie waarden en een goed belichte foto te krijgen.

Wordt het je allemaal wat te ingewikkeld, of heb je geen tijd om de juiste instellingen te kiezen? Weet dan dat veel camera's ook de mogelijkheid hebben om automatisch de sluitertijd en ISO-waarde aan te passen aan het diafragma dat je kiest. Deze diafragmavoorkeuze heet op veel camera's de A-stand of Av-stand. Hiermee wordt de juiste belichting creëren weer wat makkelijker. Maar in de fotografie speelt het diafragma ook een belangrijke rol bij het bepalen van de scherptediepte van je foto. Hiermee experimenteren levert vaak bijzondere effecten op. Hieronder leggen we uit wat scherptediepte is en hoe je ermee kunt werken.

Scherptediepte

Hierboven heb je al kennisgemaakt met de zogenaamde F-getallen. We hebben vooral hun belang voor de belichting besproken, maar ze hebben daarnaast nog een andere invloed op het beeld. Ze bepalen mede de scherptediepte van je foto. Zoals het woord al suggereert, gaat het hier over de scherpte van je beeld in de 'diepte', of hoeveel details je kunt zien in de 'verte' van je foto. In het Engels wordt dit ook wel 'depth of field' (DOF) genoemd. 

De diafragma-opening hangt hier nauw mee samen. Simpel gezegd zorgt een hoger F-getal (dus een kleinere diafragma-opening) voor een groter gebied dat scherp is in je beeld. Dus over het algemeen leidt het kiezen voor een grote F-waarde ertoe dat een zo groot mogelijk deel van je foto, van de voorgrond tot en met de achtergrond, scherp is.

Je zou in eerste instantie denken dat dit altijd wenselijk is, maar het kan ook een heel druk beeld opleveren. Bovendien is het in sommige gevallen mooier om alleen het onderwerp waarop je focust scherp in beeld te hebben, bijvoorbeeld als je een portretfoto maakt, of een detail van flora of fauna wilt vastleggen. In zo'n geval kun je kiezen voor een groot diafragma (een laag F-getal). De achtergrond wordt daardoor vaag, waardoor het onderwerp van je foto er echt 'uitspringt'. Dat is dan een kleine scherptediepte. Maak je echter een foto van een landschap of een grote, met mensen gevulde ruimte en wil je juist alle details scherp wilt hebben? Dan is een hoog F-getal een goede keuze, omdat je zo een grote scherptediepte creëert. Experimenteer eens met verschillende diafragmawaarden als je foto's maakt van één en dezelfde scène en zie het effect.

Meer over de scherptediepte

Wil je een bepaalde scherptediepte creëren, dan is je diafragma-opening niet de enige factor. Ten eerste hangt iedere diafragmawaarde samen met het beschikbare licht. Dus kies je voor een hoog F-getal om een grotere scherptediepte (een groot vlak scherp in de diepte) te verkrijgen, dan moet je de sluitertijd verlengen. Hou er rekening mee dat het risico op een bewogen, en dus alsnog onscherpe, foto hiermee toeneemt. Je kunt dit ondervangen door een statief te gebruiken. Je kunt bovendien de lichtgevoeligheid (ISO-waarde) aanpassen.

Ook de brandpuntafstand en de afstand tussen jou en je onderwerp bepalen mede de mogelijke scherptediepte. Zoom je bijvoorbeeld in of uit om je onderwerp op een bepaald formaat in beeld te krijgen, besef dan dat hiermee de scherptediepte verandert.

Hoe langer de brandpuntsafstand, hoe vager de achtergrond (als het diafragma en de afstand tot het onderwerp hetzelfde blijven) en andersom. Inzoomen betekent dus vaak scherptediepte inleveren. Soms kun je zelf ergens dichterbij gaan staan. Dat heeft echter grotendeels hetzelfde effect. Hoe dichterbij je bij het onderwerp bent waarop je scherpstelt, hoe minder scherp de achtergrond zal zijn. Probeer het maar eens uit.

Bij het scherpstellen is er nog een aspect van de scherptediepte waar je rekening mee moet houden. Deze is namelijk niet gelijkmatig rond dit punt verdeeld. Bijvoorbeeld: bij een scherptediepte van 3 meter ligt niet 1,5 meter voor en 1,5 meter achter het scherpstelpunt. De verdeling is namelijk altijd 1/3e voor dit punt, en 2/3e erachter, dus 1 meter voor en 2 meter achter het scherpstelpunt.

Wil je bijvoorbeeld een grote scherptediepte, bijvoorbeeld om een rij bomen te fotograferen, dan moet je goed weten op welke boom je scherp moet stellen. Zijn het bijvoorbeeld 9 bomen, dan kies je niet voor de middelste (5e) boom, maar eerder voor de 3e. Dan is de kans groot dat je ze allemaal scherp krijgt, als je tenminste een hoog F-getal hebt gekozen en de andere omstandigheden dit toelaten.

De kunst van spelen met licht

Na het lezen van dit artikel moet je misschien concluderen dat fotografie, of beelden vastleggen met licht, inderdaad een hele kunst is. Er zijn behoorlijk wat factoren om rekening mee te houden. Door hiermee te spelen, kun je echter bijzondere effecten bereiken.

Maar soms wil je het liever op safe spelen. Dan is het goed om te weten dat ieder objectief een zogenaamde 'sweet spot' heeft. Dit is de diafragma-opening die in principe de grootste kans geeft op een mooi beeld. Dit verschilt per objectief, maar ook per brandpunt. Het vergt dus wat oefening om het te ontdekken. Meestal ligt het echter tussen de F8 en F11. Maar laat je hierdoor niet beperken. Je camera heeft niet voor niets zo'n grote F-schaal. Experimenteer dus vooral met verschillende diafragma-openingen en brandpuntsafstanden en ontdek jouw eigen sweet spot. Oefening baart kunst, ook in de fotografie.

Hij staat voor je klaar!
Oeps... Niet alle gegevens zijn correct ingevuld!
Foto! Clubmagazine Downloaden